|
Protocol toetsing (concept)
|
|||
| 1. |
Algemeen |
||
| A. | Onderbouw | ||
| ● | Per dag mag er in een klas maar één toets gegeven worden. Daarnaast mag er maximaal één, niet te zware, overhoring worden afgenomen. | ||
| ● | Elke leerling krijgt per periode, per vak minimaal twee cijfers, waarvan een toets. Bij de praktische vakken zal het laatste meestal een werkstuk zijn. | ||
| ● | De docent deelt uiterlijk 10 schooldagen na het toetsmoment de cijfers aan de klas mede en voert ook uiterlijk 10 schooldagen na het toetsmoment de cijfers in @vo in, zodat leerlingen,ouders en begeleiding zich ook tijdens een periode een goed beeld kunnen vormen van de resultaten. | ||
| B. | Bovenbouw | ||
| ● | Per toetsweekdag mogen maximaal drie toetsen (SE) worden gegeven. In uitzonderlijke gevallen, te bepalen door de deelschoolleider, vier. | ||
| ● | Het aantal toetsen per periode is conform het in het pta vermelde aantal. | ||
| ● | De docent deelt uiterlijk 10 schooldagen na het toetsmoment de cijfers aan de klas mede en voert ook uiterlijk 10 schooldagen na het toetsmoment de cijfers in @vo in, zodat leerlingen,ouders en begeleiding zich ook tijdens een periode een goed beeld kunnen vormen van de resultaten. | ||
|
2. |
Inhalen van toetsen | ||
| A. | Onderbouw | ||
|
Op het moment dat een leerling een toets of overhoring mist door
ziekte of een andere legale reden, mag de leerling de toets inhalen
(t/m het cijfer 10). Wanneer de leerling weer terug is op school,
maakt hij de eerstvolgende les een afspraak. De verantwoordelijkheid ligt hiervoor bij de leerling. Als er geen afspraak is gemaakt, zal de niet gemaakte toets becijferd worden met een 1.1. Deze is herkansbaar tot het cijfer 6 (zie 3). |
|||
|
Op het moment dat een leerling een toets mist waarbij geen legale
reden is (bijv. spijbelen), zal de niet gemaakte toets becijferd
worden met een 1.1. Deze is herkansbaar tot het cijfer 6 (zie 3). |
|||
| Wanneer een leerling door een docent wordt betrapt op fraude (spieken, illegaal gebruik hulpmiddelen etc.) wordt het gemaakte werk becijferd met een 1.1. Deze is herkansbaar tot het cijfer 6 (zie 3). Tevens krijgt de leerling een extra opdracht die in overleg tussen de docent en de deelschoolleider wordt vastgesteld. Het cijfer 1.1 kan pas gewijzigd worden in het cijfer van de herkansing, wanneer de extra opdracht naar tevredenheid is uitgevoerd. | |||
| Wanneer een docent ziek is, wordt de toets, waar mogelijk, afgenomen door een vervanger. Wanneer dit niet het geval is, schuift de toets door naar de eerstvolgende les, tenzij de docent met de klas een andere afspraak maakt. Door deze regel kan het dus zijn dat een klas incidenteel twee toetsen op een dag heeft. | |||
| B. | Bovenbouw | ||
| In het pta is expliciet de regeling inhalen van toetsen opgenomen. | |||
| 3. | Het herkansen van toetsen | ||
| A. | Onderbouw | ||
|
Toetsen mogen herkanst worden,
schriftelijke en mondelinge overhoringen niet. Er mag herkanst worden t/m maximaal het cijfer 6. Een leerling mag alleen herkansen wanneer het werk naar behoren is afgetekend. Dit wil zeggen: |
|||
| ● | het werk is nagekeken en gecorrigeerd | ||
| ● | alle opdrachten zijn gemaakt | ||
| ● | er is vóór een bepaalde datum (zie werkwijzer) afgetekend | ||
| B. | Bovenbouw | ||
| In het pta is expliciet de regeling inhalen van toetsen opgenomen. | |||
| 4. |
Werkstukken |
||
| A. | Onderbouw | ||
|
Voor een in te leveren werkstuk, zal met
de docent een uiterste inleverdatum afgesproken worden. Eerder
inleveren mag altijd. Wanneer een leerling zijn/haar werkstuk later
inlevert, gaat er per werkdag een punt van het cijfer af. Dit gaat
door tot het cijfer 1. Bij ziekte van een leerling op de inleverdag, ligt de verantwoordelijkheid bij de leerling om bij terugkomst op school bij de eerstvolgende les een nieuwe afspraak te maken met de docent voor het inleveren van het werkstuk. |
|||
| B. | Bovenbouw | ||
| In het pta is expliciet de regeling inhalen van toetsen opgenomen. | |||
| 5. |
Sectieafspraken |
||
| Inleiding | |||
| Met betrekking tot de toetsen zijn in de sectie dan een aantal afspraken noodzakelijk. Deze afspraken kunnen het beste worden vastgelegd in de vorm van de antwoorden op de volgende vragen: | |||
| Facilitaire zaken: | |||
| - | het moment van de toetsafname, | ||
| - | de toetsduur, | ||
| - | de toetslocatie, | ||
| - | gemeenschappelijke toets of niet, | ||
| - | hoe is het vermenigvuldigen van de toetsopgaven geregeld, | ||
| - | waar worden de toetsopgaven bewaard tot het toetsmoment, | ||
| - | enzovoort. | ||
| Toetsinhoudelijke zaken: | |||
| - | het doel van de toets (diagnostisch, determinerend, voortgangstoets, schoolexamen) | ||
| - | analyse van de vakinhoud, | ||
| - | analyse van de vaardigheden, | ||
| - | analyse van de verschillen tussen opleidingsniveaus (denk hier aan combinatieklassen) | ||
| - | afstemming met andere vakken, | ||
| - | de toetsmatrijs, | ||
| - | het format van de toets (lay-out, open en/of gesloten vragen), | ||
| - | enzovoort. | ||
| Het maken van de concepttoets | |||
| - | wie stelt de concepttoets op in het afgesproken format, | ||
| - | welke rol spelen de regels m.b.t. dyslexie, | ||
| - | wie stelt het correctiemodel, inclusief de normering, op, | ||
| - | volgens welke procedure wordt de concepttoets omgezet in de eerste versie van de definitieve toets, | ||
| - | volgens welke procedure wordt de gelijkwaardigheid van varianten van één toets gewaarborgd, | ||
| - | enzovoort. | ||
| Het beoordelen van de definitieve toets | |||
| - | welke collega maakt de definitieve toets inclusief de beoordeling van zijn eigen werk, | ||
| - | op welke wijze vindt hierbij de terugkoppeling plaats en wordt de tweede versie van de definitieve versie vastgesteld, | ||
| - | enzovoort. | ||
| De evaluatie van de definitieve toets door de leerlingen | |||
| - | evaluatie m.b.t. de inhoud van de toets (de toetsmatrijs), | ||
| - | evaluatie m.b.t. het format van de toets, | ||
| - | luatie t.a.v. de facilitaire zaken, | ||
| - | enzovoort | ||
| De afronding van de toetsing | |||
| - | de scores omzetten naar cijfers, | ||
| - | eventuele aanpassingen in het lesprogramma aanbrengen, | ||
| - | eventuele aanpassingen in de toetsmatrijs, het correctievoorschrift en de normering aanbrengen, | ||
| - | de verbeterde toets in het archief onderbrengen, | ||
| - | enzovoort. | ||